www.bruxel.org   |   www.bruxel.org/molenbeek   |   www.bruxel.org/zinneke   |   www.bruxel.org/forum

Columns van
Interview met

Lieven SOETE

Reactie ::
lieven.soete[at]bruxel.org

In De oVerKant | Periodiek van GC De Vaartkapoen | VK* | Molenbeek
www.devaartkapoen.be


De oVerKant nr. 51 / november 2009 | Bericht uit het getto
De oVerKant nr. 49 / juni 2009 | Als een dorp
De oVerKant nr. 48 / april-mei 2009 | Veel volk op straat
De oVerKant nr. 47 / maart 2009 | Darwin en de diversiteit
De oVerKant nr. 46 / januari 2009 | Een goed jaar 2009 gewenst
De oVerKant nr. 45 / november-december 2008 | We wonen hier, gewoon
De oVerKant nr. 44 / oktober 2008 | Freya, Jan-Baptist en Joseph Diongre
De oVerKant nr. 43 / september 2008 | Een stad voor de bewoners
De oVerKant nr. 42 / juni 2008 | Kunst en Feest (allebei mét hoofdletter)  |  De l’Art et de la Fête (les deux en majuscules)
De oVerKant nr. 41 / april-mei 2008 | Droog en nat
De oVerKant nr. 40 / maart 2008 | De zinnekes in Molenbeek
De oVerKant nr. 39 / januari 2008 | Een visie voor Brussel
De oVerKant nr. 38 / december 2007 | De mensen aan het water
De oVerKant nr. 37 / oktober 2007 | De klank van de stad
De oVerKant nr. 36 / september 2007 | Spreek dan met je handen
De oVerKant nr. 35 / juli 2007 | Waarom komen anderen hier?

Interview :: De oVerKant nr. 33 | april-mei 2007 | Mensen over Molenbeek :: Lieven Soete



Column :: De oVerKant nr. 51 / november 2009

Bericht uit het getto

We hebben er enkele adjectieven bijgekregen. Onze wijk staat al sinds de negentiende eeuw – de tijd van Daens dus – ingekleurd als ‘moeilijk’ en ‘te mijden’. Het Klein Kasteeltje werd daarom als gendarmepost herbouwd, veilig aan de overkant van het kanaal. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw mocht de metro, eenmaal het kanaal voorbij in Molenbeek op de goedkoopste manier gelegd worden: die buurten waren toch ‘rotte plekken’ alleen maar goed om af te breken. Vanaf de jaren negentig spreekt men van ‘kansarm’ of ‘achtergesteld’ waar nodig de ‘sociale cohesie’ moet bijgesteld worden. Wat neerbuigend maar het blijft vriendelijk.
     Sinds begin september wonen we in een ‘bedreigend intolerante’ buurt, met veel te veel meisjes en vrouwen met hoofddoek, zomaar in de openbare ruimte. En midden september verklaarden sommige journalisten die geen last hebben van correcte kennis of nuance heel laag Molenbeek maar tot ‘no-go zone’. Als de politie één avond serieus last heeft om enkele straten onder controle te houden, dan heeft dat voor de media duidelijk nog onvoldoende spektakelwaarde.
     Sinds begin oktober wonen we nu ook in een echt ‘getto’. Vermoeide geletterden lanceren er grote debatten over in een vlaag van verstandelijke euthanasie. Juist, we zitten met teveel te dicht op elkaar. Vooral te veel ‘armoezaaiers’ – wie heeft trouwens dit woord ooit gelanceerd? ‘Armoevangers’, ja.
     
Vorig weekend was het Kunstenfeest ‘BrxlBravo’. In Molenbeek kon je door de hele ‘no-go zone’ trekken onder de ‘bescherming’ van fantastische fanfares. Er was een ongekende veelheid en verscheidenheid aan artistieke activiteiten in ‘het getto’ te ontdekken. Maar geen nood, we houden ons merkteken. Vanuit de veilige heuvel aan het Flageyplein is zo’n geletterde afgedaald en heeft zelfs het kanaal overgestoken... tot aan de Belle-Vuebrouwerij. Uit pure liefdadigheid en toch “niet omdat je per se een return verwacht”. Met als troostprijs: “Het is toch hoopgevend dat ook in de no-go zones tientallen kunstenaars en organisaties hun ding doen.” [*] Beschaving moet gebracht worden, zou Leoplod II gezegd hebben.
     In datzelfde weekend, in de fototentoonstelling STUDiO1080 in het HUIS van Culturen van Molenbeek. Een bezoeker uit Gent merkt op: “Wat op die foto’s te zien is dat is ‘de’ en dus ‘onze’ cultuur. Zonder multi- of inter- ervoor. Dit is onze toekomst: de cultuur van de stad, overal in ons land, in Europa, in de wereld. Molenbeek is een flink stuk voorop.” Als we dat nu willen geweten hebben, dan zit het goed.
     Leve het getto.

Lieven SOETE
Molenbeek [Brussel 1080], 9 oktober 2009

[*] Brussel Deze Week, 8-10-2009, pagina 10. Michaël Bellon : BRXLBRAVO, en de kunst van de liefdadigheid
http://www.brusselnieuws.be/artikels/cultuur/praat-achteraf-brxlbravo-en-de-kunst-van-de-liefdadigheid


Column :: De oVerKant nr. 49 / juni 2009

Als een dorp

Je hoort het wel eens: “Laag Molenbeek is een beetje als een dorp”. Is dat zo?
We waren enkele dagen met vakantie met vrienden in de vlakke polders achter de IJzer, “Bachten de Kuupe”. Nog net buiten “het seizoen” in de kuststreek.
    Elk dorp (soms is het een heuse “stad”) heeft een monumentale kerk waar alle inwoners met hun tafel en bed samen in kunnen, als dat nuttig zou zijn. Bijna overal liggen de doden er nog rond die kerk te waken over zeden, handel en wandel van hun nakomelingen. In de straten zie je maar vooral hoor je bijna niemand, er heerst oorverdovende stilte. De neus wordt iets meer geprikkeld. Alleen op het kerkplein is er leven. Meestal met een stoere wagen worden brood en vlees en andere overlevingsmiddelen afgehaald. Van de parking naar de winkel en terug. Hier en daar een hoofknik, een handgroet of een korte babbel. Een godgezegende rust op een godgezegende plek. Het godverdomse lijkt erg ver weg.

Dit is een prachtige streek. Het licht is er verbluffend mooi, door de wind gewassen en opgevangen door bomen en planten in alle lenteschakeringen. Nagenoeg alle gebouwen hebben de okergele kleur van de klei of het noordzeezand. De horizon is er rondom nog zichtbaar en je zou echt niet geloven dat de aarde een bol is. Overal waar je staat zie je minsten tien kerktorens met telkens de naam van een “parochie”, een dorp of gehucht of zelfs een stadje. In de meeste wonen minder mensen dan in mijn straat. Een gsm heb je niet nodig, van toren naar toren kan je 3-D signalen met rook, vuur en klank doorgeven.
    Dit lijkt wel een wat breed uitgesmeerde stad! Als je een luchtfoto van deze polderstreek via Google Earth bekijkt en die als een Zeus of Wotan in je handen neemt en die dichtknijpt, krijg je een soort stad. Het zal wel eerder op hoog-Molenbeek lijken, met zijn vele groen, dan op laag Molenbeek, waar het groen nog per vierkante centimeter moet beschreven worden.

Het verbaast me niet dat alle grote culturen in dergelijke polder- en vlakke valleigebieden zijn ontstaan. Mensen zagen tot heel ver rondom zich dat ze niet alleen waren, dat er rook en klank opsteeg vanuit andere kernen waar ook mensen woonden. Nieuwsgierigheid was en blijft de motor van verkenning, zoektochten, uitwisseling en samenwerking.

Misschien moeten we het wel omdraaien: “Die polderstreek lijkt wel een beetje als een stad”. Het is dus niet nuttig ook hier een lijn van verschil te trekken. Het is leuker en interessanter de lijnen van gelijkenis te ontdekken.

Lieven SOETE
Molenbeek, juni 2009


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 48 / april-mei 2009

Veel volk op straat

Er is een nieuw wijkcontract voor onze buurt – van de brouwerij Belle-Vue aan het kanaal tot aan het Voltairepleintje. Wijkcontracten zijn er voor buurten die een of meerdere adjectieven meekregen: “achtergesteld”, “kwetsbaar”, “moeilijk”, “kansarm”,...
     Maar misschien zijn “negatieve” kenmerken van onze buurt juist een model, een oplossing voor problemen van de stad. Als we die brandmerken omdraaien, wat krijgen we dan? Je zou de buurt gewoon “volks” kunnen noemen. Het betekent in laag Molenbeek alleszins dat er zéér veel en jong volk leeft, heel kleurrijk in taal en gebruiken. Er is ook meestal veel volk op straat. Dat is nog mogelijk omdat er weinig auto’s zijn. De meeste bewoners kunnen dat niet kopen en er is ook geen plaats om al die auto’s te zetten als elk gezin er zoals elders een of twee zou hebben. Kleine en slechte behuizing duwt veel kinderen en tieners de straat op. Er is weinig andere openbare ruimte en veel te weinig groene en speelruimte. Dus wordt de straat als speel-, sport- of haantjesruimte gebruikt. Veel buren kregen of namen ook de gewoontes mee uit warmere streken. Buiten is de regel om te leven, binnen eerder de uitzondering. “Buiten”, dat betekent hier op de eerste plaats: het voetpad. Daar speelt zich al een grote diversiteit in sociaal leven af.

Dit maakt dat we ergens een “voorbeeld-buurt” kunnen zijn: hoe kan men de openbare ruimte en op de eerste plaats de straat zelf benutten om te leven, en niet uitsluitend om zo snel mogelijk te passeren, met of zonder machine onder ons. Leven betekent, complex en in grote verscheidenheid.
     Jawel, ik weet het, het wordt ons “opgedrongen” en het is op veel punten ook “te”. Te druk, te weinig plaats, te veel zwerfvuil, te gevaarlijk, te veel lawaai en stof. Daar moet dus iets aan gebeuren – via dit nieuwe wijkcontract bijvoorbeeld.
     Maar laat ons de straat teruggeven aan de bewoners met absolute voorrang voor de zwaksten onder hen, de voetgangers. En dan nog eens voorrang voor de  allerzwaksten: de kinderen en de minder mobielen. Het voetpad zou “onschendbaar gebied” moeten verklaard worden in de plaats van een soort restgebied te zijn waar allerlei openbare en nutsvoorzieningen zomaar hun palen, plakkaten, bakken, cabines, betaalautomaten, deksels en hindernissen kunnen achterlaten. Maar evenmin is het voetpad de plaats om allerlei zwerfvuil te dumpen, daar dienen vuilbakken voor... die er dan weer veel te weinig zijn.
     Wat denk je van een “zero tolerance” ten overstaan van alles wat kapot is: opengebroken voetpaden, omver gereden palen, borden of plakkaten, versleten of kapotte banken, ballustrades, fietsrekken en vuilbakken, onvindbaar geworden zebrapaden, kapotte straatverlichting. Laat ons zeggen: binnen de 24 uur moet het hersteld zijn. En wie denkt de buurt wat te pesten door de vandaal te spelen, krijgt nul want géén tijd voor aandacht.
    
Lieven SOETE
Molenbeek, 14-04-2009

_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 47 / maart 2009

Darwin en de diversiteit

Met de statige witte baard staat hij kaarsrecht en terecht een tijdlang in de schijnwerpers want 200 jaar geleden, op 12 februari 1809 werd hij in Engeland geboren, Charles Darwin. De man die met de evolutietheorie de basis legde voor een wetenschappelijke verklaring van de grote diversiteit in de levensvormen op onze planeet. Als mensensoort maken we ook helemaal deel uit van dit geheel. We hoeven de illuzie niet te onderhouden dat we daar boven of daar buiten kunnen gaan staan. En het is dus verspilde energie om verklaringen te gaan zoeken buiten onze natuur en kosmos, als we die erbinnen kunnen vinden. Als we zijn wat we zijn en doen wat we doen, dan ligt dat ingebed in een voorgeschiedenis van miljoenen, zelfs miljarden jaren.

Het is meer dan 3 miljard jaar geleden begonnen. Enkele moleculen in een “onleefbaar”, “dodelijk giftig” mengsel – waarschijnlijk met ammoniak en kooldioxyde – gingen samen klitten. Omdat er zo energie kon gespaard worden en het dus efficiënter was. Na een tijdje kon dat nieuw ding zichzelf gaan splitsen en dus  reproduceren. Het spel zat op de wagen. Je mag er ook een leuker verhaal bij verzinnen over dat eerste moment: over een fee of elfjes, of een oppergod in een kwade of juist een goede bui. Verhalen over een zonne- of zeegod zitten er nog het dichtste bij, want licht en water blijken beslissend te zijn bij het ontstaan van leven in onze kosmos.
     Het was de geniale verdienste van Darwin om dergelijke verhalen overbodig te maken. We weten nu dat het de moeite loont te blijven zoeken naar de miljarden soorten levensvormen en die zorgvuldig te koesteren, vooral de zwaksten. In tegenstelling met de gangbare cowboy-interpretatie van Darwins theorie die stelt dat de sterkste, de slimste, de grootste, de mooiste, de rapste, de lenigste of gewoon die met de grootste bek verzekerd is van succes en toekomst. Het zijn heel dikwijls de “zwaksten” – de “non-conformisten” of buitenbeentjes, de dwarsliggers en “abnormalen”, de onaangepasten, de niet-gestroomlijnden, de stillen en de bedeesden – die ook onze mensensoort gered hebben omdat ze een nieuwe uitweg vonden om zich aan te passen aan nieuwe situaties. Terwijl de prachtexemplaren, de kampioenen uit de concurrentie en competitie, door hun overspecialisatie in snelheid, spierbundels of borstomvang, grootste bek of langste staart, juist de mogelijkheid misten om zich aan te passen aan een wijziging in het klimaat en de voedselketen.

Als we het over “diversiteit” hebben, dan is het echt veel interessanter om het in de termen van Darwin te stellen. Want onze verschillen in kleur van huid en ogen, van talen en verhalen zijn zo miniem. Het verschil tussen een baby en een dansende peuter is al oneindig veel interessanter.

Lieven SOETE
Molenbeek, 27-02-2009


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 46 / januari 2009

Een goed jaar 2009 gewenst

Dit wordt waarschijnlijk wel moeilijk. Wensen zal ook dit keer niet volstaan. Alle krachten waar we geen vat op denken te hebben stormen ineens en samen op ons af. Een verwoestende orkaan raast door de wereldeconomie, veroorzaakt door het ergste soort hebzucht, tyrannie, kortzichtigheid en schaamteloosheid van een handvol mooiverpakte “geldwolven” – eindelijk mag dit beeldend woord nog eens gebruikt. Onze planeet stuurt alarmerende signalen dat we veel voorzichtiger en zuiniger moeten omspringen met wat ze te bieden heeft: grondstoffen, energie, water, frisse lucht, kennis en gezond verstand. De ergste verspilling is wellicht dat we de energie van miljoenen mensen onbenut laten door hen zonder werk in de armoede en ellende te dwingen. Daar zitten die “geldwolven” van daarnet natuurlijk voor veel tussen.
     Kunnen vrome of beste wensen nog helpen tegen de razernij van wat een blinde kracht lijkt te zijn waar we geen vat op krijgen: oorlog en slachtpartijen in Palestina, Congo, Irak, Afghanistan,... Of zou het kunnen dat diezelfde “geldwolven” zich in allerlei uniformen en achter verschillende vlaggen verschuilen, om hun controle over olie, gas, diamant, kobalt, uranium,... te verzekeren?
     En komen we er in eigen landje – ocharme een voorschoot groot – met wensen vanaf dit jaar? Kan daarmee de giftige stank van territoriumgedrag en primitieve stoerdoenerij gestopt? Of kunnen we ook hier een link vinden naar “geldwolven” die liever hun morzels grond omheinen dan te moeten kijken naar en misschien delen met hun buren?

Vrome wensen hebben hun deugdelijkheid nog nooit bewezen. Dus moeten we er met zijn allen iets aan doen. Er bieden zich enkele kansen dit jaar.
     De Staten-Generaal van Brussel mobiliseert de Brusselaars op basis van een breed platform. Van januari tot april 2009 worden 16 debatten georganiseerd om samen na te denken over de uitdagingen waar de Brusselse regio voor staat en de beleidspistes die er uit voort komen. Met gemiddeld 150 à 200 deelnemers of inschrijvingen per debat is dit een unieke mogelijkheid voor elke Brusselaar. [1]
     In juni zijn er verkiezingen. Voor de 3 regio’s en de 3 taalgemeenschappen in België en voor het Europees parlement. Het hangt uiteraard alleen maar van ons af, als dat belangrijk wordt of niet.
     En het project “Zinneke Parade 2010” wordt opgestart. Tot eind januari kan je voorstellen indienen voor het thema waarrond dit project zal werken om in kleur, klank en beweging, in de straten van de stad en daarbuiten, de dromen van de Brusselaars, de zinnekes, te verbeelden. Stuur je voorstel of bel het. [2] Op zaterdag 21 maart komt wie wil meedoen met het zinneke-project 2010, best naar het Huis van Culturen in Molenbeek. Er wordt een grote startdag georganiseerd voor de Molenbeekse zinnekes.

Lieven SOETE
Molenbeek, 15-01-2009

[1] Meer info @ www.statengeneraalvanbrussel.be
[2] www.zinneke.org | 0800 21 294 [gratis nummer]

_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 45 / november-december 2008

We wonen hier, gewoon

Al meer dan een week blijft een hardnekkige valling mij plagen. Te snotterig en met ijle kop om fatsoenlijk onder de mensen te komen. Meer tijd dus om gewoon door het raam te kijken. Het is begin november. Tijdstip voor een herfstmijmering.

Als ik een camera vanuit een vaste plaats op mijn straat zou richten kan ik zo een boeiende documentaire maken. Slechts af en toe zijn er enkele seconden dat er niemand in beeld komt – dus weinig montagewerk. Een infraroodcamera zou ‘s avonds en zelfs ‘s nachts nog heel wat passage registreren. Toch is dit een woonstraat met slechts enkele eerder schamele winkeltjes. Waar komen al die mensen dan vandaan? Waar gaan ze naartoe? Gewoon, ze wonen hier. Met velen, heel dicht op elkaar.
    In mijn buurt en in laag Molenbeek wonen er minstens 25.000 mensen per vierkante kilometer of 250 per hectare. Over het geheel van Molenbeek zijn er dat maar de helft: 12.600 per vierkante kilometer. In het Brussels Gewest (de 19 gemeenten) wonen er 7.400 mensen per vierkante kilometer en in het hele Brusselse stadsgebied 2.150. Met vooral deze twee laatste cijfers in de hand pleiten Brusselse milieuverenigingen en ook de Brusselse Bond voor het Recht op Wonen [BBRoW] ervoor om de bevolkings- en bewoningsdichtheid in Brussel te verhogen. Ze hebben gelijk. Als we de problemen wat betreft energie, grondstoffen, mobiliteit, werkgelegenheid, vergrijzing, onderwijs- en cultuurverstrekking op een verstandige manier willen aanpakken dan is de stad het model en dus de toekomst. Hoe dichter bij elkaar, hoe efficiënter en zuiniger. Maar daar zijn wél grenzen aan natuurlijk. Het moet ook beter en leuker zijn om dichter bijeen te wonen. We hebben voldoende licht, lucht, plaats, water, stilte, groen, rust, privacy... nodig. Als we dit samen organiseren kan het mooier, ruimer, leuker, gezonder en gezelliger dan elk afzonderlijk binnen zijn omheining op zijn eigenste morzel grond.

In laag Molenbeek blijft de bevolkingsdichtheid nog toenemen. Er komt weinig nieuwe open, laat staan openbare, laat staan groene ruimte bij. Percelen braakgrond worden bebouwd, meestal met woningen. Industriële panden worden lofts. De woningnood is zo groot –  in Brussel staan 20.000 mensen op de wachtlijst voor een sociale woning. Maar dikwijls laaien verzuurde reacties op als ergens een project opduikt om sociale woningen te bouwen.
     Er moet een manier zijn om ook hier een fatsoenlijke oplossing te vinden. Een denkpiste: misschien moeten we de stad “gewoon” meer als onze woning bekijken en gebruiken. Er zijn nu al tal van dingen waarvan we dachten dat dit tot de privésfeer behoort, die we nu op straat, in de openbare ruimte doen. De stad is in deze evoluties dikwijls een stap vooruit. We kleden ons vrijer, soms letterlijk ook “losser”. Er wordt gekust en gevrijd. Je kan een dutje doen, zelfs een nacht lang, als je maar het geschikte plekje vindt. We telefenoren meer op straat dan binnenshuis en computeren gebeurt nu ook op een terrasje, op een stadsbank of in een tramhokje. In Berlijn wordt in de parken massaal gebarbecued. Roken is nu al bijna uitsluitend naar de straat verbannen... en brengt de koffiepauze met het koekje ook steeds meer op straat.
     Ik zie dit allemaal ook in mijn straat gebeuren. Misschien moet er toch iemand een film van maken. Anders geloven jullie me misschien niet.

Lieven SOETE
Molenbeek, 13-11-2008


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 44 / oktober 2008

Freya, Jan-Baptist en Joseph Diongre

Als je op de Parvis van Sint-Jan-Baptist voor de ingangspoort van de kerk gaat staan, een twintigtal meter naar het centrum van het plein zodat je rechts in de Toekomststraat kijkt, dan zie je het Klein Kasteeltje. In het midden boven de gebouwen zie je het kruis van een kerk. Dat is ook een Sint-Jan-Baptistkerk, de Begijnhofkerk van Brussel. Dat begijnhof lag op grondgebied Molenbeek en werd geleid door de pastoor van Sint-Jan.
     Terug naar de Parvis. Je staat op de plek waar Molenbeek meer dan duizend jaar geleden is ontstaan rond een waterput, toegewijd aan de Germaanse Freya, godin van de vruchtbaarheid, de liefde en de wellust. «Vrijdag - Freytag» – de dag van de vis en de waterdieren – is naar haar genoemd.
     Monniken van het Sint-Gertrudisklooster van Nijvel hebben die Freya een gekerstende draai gegeven en er Sint-Gertrudis van gemaakt. Ze wordt afgebeeld met in haar hand een beker die verwijst naar het heilzame water uit de Gertrudisbron. Te drinken vóór het vertrek om een voorspoedige reis en een behouden terugkeer te verkrijgen: een “sint-geerte-minne” – “one for the road” zouden we nu zeggen. Rond de wonderput wordt een parochie gesticht en een kerk gebouwd, toegewijd aan een andere waterheilige, Sint-Jan-de-Doper, het neefje van Jezus van Nazareth.

In 1930 heeft de kerkfabriek van Sint-Jan geen geld om een nieuwe, grotere kerk te bouwen en doet beroep op het gemeentebestuur van Molenbeek. In 1931 krijgt de gemeente-architect Joseph Diongre (1878-1963) opdracht van het gemeentebestuur om een nieuwe kerk te bouwen. Vijftien maanden later is ze af. Diongre is socialist en heeft in Molenbeek verschillende complexen van sociale woningen gebouwd. Zijn kerk mag niet veel kosten, en dus gebruikt hij het modernste en goedkope materiaal: beton – tot en met de glasramen. Het resultaat is verbluffend: licht in alle kleurschakeringen valt ook binnen via de platte zoldering in een krachtige ruimte die uitnodigt om... te zingen, te dansen, stil te zijn, te luisteren, een vriend(in) te ontmoeten, een kus te geven, een gesprek te beginnen, samen te zijn.

Vanop je plekje op de Parvis, of ergens elders, moet je aan passanten eens vragen wat dit gebouw in beton met zijn minaretachtige toren en non-figuratieve glasramen zou zijn. Wedden dat een meerderheid overtuigd zal antwoorden “een moskee”.
     Vandaag is het einde van de restauratie in zicht. Ik meen het: dit is de mooiste kerk van Brussel. Ga kijken. Meer nog, op vrijdag 7 november om 20 uur kan je in de kerk een “interreligieus concert”* bijwonen van de Libanese zangeres Ghada Shbeir met gezangen uit de Maronitische, Byzantijnse en Syrisch orthodoxe liturgische traditie.
     Een kring haakt in elkaar. Van de heidense Freya, over Sint Geerte en Sint-Jan, via de heidense Diongre, naar een ruimte waar elke Molenbekenaar zich goed kan voelen. Een zeldzame en dus kostbare plek.

Lieven SOETE
Molenbeek, 29-09-2008

* Meer info op: www.foyer.be


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 43 / september 2008

Een stad voor de bewoners

We waren enkele dagen in Berlijn. De stad is niet overweldigend maar nodigt uit om er terug te keren. Vooral in het centrum is er veel te beleven in grote cultuurtempels tot heel kleine kunsttentjes. Maar ook in de woonbuurten, in de vele parken, pleintjes en brede straten blijft men zo makkelijk plakken, kan men een babbeltje slaan, goedkoop iets drinken en eten, dat veel van ons programma niet is afgewerkt. Blijkt achteraf trouwens dat we alleen in het oude Oost-Berlijnse gedeelte zijn gebleven.

Berlijn telt 3,5 miljoen inwoners. Weinig pendelaars want er is buiten de culturele sector – onderwijs, wetenschap, kunsten, sport, horeca en toerisme – weinig werkgelegenheid. De meeste toeristen zijn Duitsers in hun hoofdstad. Het oude Oost-Berlijn heeft een fijnmazig net met openbaar vervoer, bijna overal veilige fietspaden. Zonder auto kan men er leven, ook met kinderen.

De stad is arm. Er zijn weinig roltrappen naar de trein- en metrostations. Straten en pleinen worden nog minder vaak dan in Brussel geveegd – maar de breedte en het groen in de straten maakt veel zwerfvuil minder opvallend. Het wegdek is vaak versleten. Maar alle trams rijden in eigen bedding en hun rails hebben een geluidsisolerende aankleding. De woonblokken zijn nogal monotoon, zonder veel franjes maar leuk en herkenbaar gemaakt door kleur. Toch woont er veel volk, vrij dicht op elkaar. Alle woonblokken tellen minstens vijf verdiepingen. Eensgezinswoningen bestaan er gewoon niet.

Een stad voor de bewoners is dus mogelijk. Een op de vijf Duitsers zou het wel zien zitten om nu in Berlijn te gaan wonen en zelfs een op de vier van de Duitse jongeren droomt ervan om in Berlijn te kunnen studeren, werken, wonen en leven.
Er zijn enkele grote én interessante nieuwe architecturale projecten gerealiseerd: het nieuwe Hauptbahnhof, de Potsdamer Platz, de Reichstag. Terecht publiekstrekkers. Maar ze domineren de stad niet en zijn zelfs niet eens echt imposant. De oude Oost-Berlijnse televisietoren blijft de skyline bepalen.

Berlijn blijft een goede stad voor de bewoners. En dus ook een uitnodigende en beklijvende stad voor bezoekers. Helemaal geen “stinkend monster” dat zo snel mogelijk moet ontvlucht. Als Brussel die ommekeer wil maken, is er nog flink wat werk. Vooral aan wat er tussen de oren zit van veel beleidsmakers van dit land en deze stad. En als we de energie- en klimaatproblemen écht willen aanpakken, kunnen we mischien best wat bijleren uit de voorbeelden hoe mensen met velen, dicht op elkaar, toch goed samen leven.

Lieven SOETE
Molenbeek, 19-08-2008



_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 42 / juni 2008

Kunst en Feest (allebei mét hoofdletter)

Kunst is waarschijnlijk ontstaan om de mens als nieuwe soort, heel kwetsbaar als eenling, te ondersteunen in het samenwerken als groep. Ons enige echte natuurlijke wapen is de onuitputtelijke mogelijkheid om samen te werken. Het is ook onze enige overlevingskans, als individu, als groep, als mensheid. Kunst was en blijft een van die schitterende uitvindingen van de mens. Uiteraard hebben we het dan niet over de canvaskoersen en intellectuele kermissen met bijhorende commercie die men nu de kunstenaars wil opdringen. We hebben het over Feest. Want gisteren was het de vierde Ransfiesta in mijn buurt, het was feest in het Bonneviepark, in de Sint-Jozefstraat en in de Mommaerts- en de Hoveniersstraten. Bovendien hielden de zinnekes hun preparade door al deze buurten en straten van laag Molenbeek.

Bij elk Feest komen verschillende kunstvormen aan bod en samen: van de tekening op de affiche die misschien ingekleurd kan worden, over de muziek, dans, theater, circuskunsten, grimage, costumes, kapsels, licht- en klankkunst, tot de kunstig gemaakte spijzen en dranken en de vrijwel onbeperkte mogelijkheden om de straat, de koer of zaal te versieren. Feest is kunst in de groep, voor de groep, door de groep. Feest is samenwerken en samenwerken is elkaar leren kennen. Feest is plezier en plezier is een van die onmisbare grondstoffen om te leven gewoon. Feest is die glimlach van trots die verschijnt als er applaus komt of als er besef en waardering komt voor de bijdrage die men geleverd heeft aan de vreugde van de anderen.

Waarom maken we dus niet meer Feest? Verzin maar iets, de aanleiding doet er weinig toe. We hebben alvast het tweejaarlijkse stadsfeest van de zinnekes, de ZinnekeParade. Als dit stukje gedrukt staat heeft de vijfde editie alweer de stad doen zinderen. Hoog tijd dus om te denken aan de volgende editie in 2010. Alles wat we nog hadden willen doen maar te laat of te zwak voor waren, alle ideeën die misschien nog te gek of te utopisch waren, we zetten het nu bijeen. We zijn met veel, en met veel variatie. Dat is een goed en groot potentieel.
Op dus naar het volgende FEEST (helmaal in hoofdletter).

Lieven SOETE
Molenbeek, 18-05-2008

De l’Art et de la Fête (les deux en majuscules)

Il existe un lien étroit entre la genèse de l’Art et la fragilité extrême de l’individu, et cela depuis les premiers balbutiements de l’espèce humaine. L’art constitue un outil précieux aidant les hommes à collaborer. En faite, la capacité illimitée de collaborer en groupe est notre seule arme naturelle, la seule chance de survivre individuellement, en groupe et comme espèce humaine. L’Art a toujours été, et restera une de ces inventions humaines géniales. Bien entendu, nous ne parlons pas de ces kermesses intellectuelles arrosées d’une sauce commerciale, que de nos jours on ne cesse d’imposer aux artistes. Nous parlons de la Fête. Car hier s’est déroulé dans mon quartier la quatrième Ransfiesta. En même temps les gens ont fait la fête dans le parc Bonnevie, dans la rue Saint-Joseph et dans les rues Mommaerts et du Jardinier. En plus des préparades des zinnekes ont défilé dans tous ces quartiers et dans les rues de bas-Molenbeek.

Chaque Fête porte en soi un éventail de genres artistiques : du dessin d’une telle affiche qui pourrait être coloriée, de la musique, du théâtre, de la danse, des spectacles de cirque, du grimage, de l’art du son et de l’éclairage, jusqu’aux mets et boissons préparés de main de maître et aux possibilités illimitées de décorer la rue, le cour intérieur où la salle… Une Fête est une création artistique dans le groupe, pour le groupe et par le groupe. Festoyer… c’est se faire connaître en collaborant. La Fête… c’est la joie, un élément indispensable à vivre. La Fête… c’est le grand sourire plein de fierté devant les applaudissements, le sentiment d’être apprécié pour avoir contribué au plaisir des autres.

Pourquoi ne pas profiter d’autres occasions pour faire la Fête ? Laissez voguer votre imagination, toute occasion est bonne. Comme la fête urbaine bisannuelle des zinnekes: la ZinnekeParade. Au moment où vous lirez ce texte, la cinquième édition aura conquiert la ville avec son enthousiasme habituel. Il est temps, dès maintenant, de préparer l’édition 2010. Rassemblons nos idées: celles qui nous sont venues dans la tête trop tard, celles qui pesaient trop lourd, celles qui s’avéraient trop dingues, trop utopiques peut-être. Rassemblons tout cela dans un grand panier, et au travail...  Nous sommes nombreux, la variation est grande, le potentiel énorme.

A la FETE suivante !

Lieven SOETE
Molenbeek, 18/05/2008


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 41 / april-mei 2008

Droog en nat

In Brussel leeft een derde van de mensen onder de officiële armoedegrens. Ze zijn dus echt en gewoon arm. In een van de rijkste steden ter wereld. Het zoveelste jaar op rij komen er bovendien steeds meer armen bij. Het klinkt ongeloofwaardig en dus willen we die cijfers graag verwijzen naar de verste archieven van ons geheugen, om niet echt mee bezig te zijn. Bovendien zijn er toch honderden organisaties, vzw’s, meldpunten, steunpunten, observatoria, begeleidings- en inleeftrajecten, projecten voor kwetsbare groepen, voor gelijke kansen in de diversiteit... Ze doen schitterende dingen en werken zich de naden uit het lijf, maar blijven de goedkoopste onderaannemers van de overheid. Bovendien nog eens opgezadeld met de «gezonde concurrentie», weetjewel, tussen taalgroepen, levensbeschouwelijke en politieke netwerken, tussen gewesten en gemeenschappen.

Intussen verschansen de opgeblonken goden van de vrije markt zich steeds beter in hun burchten op de heuvels. Al sinds het ontstaan van Brussel kennen we dit scenario: prinsen, abten en prelaten, hertogen, koningen en gouverneurs vestigen zich veilig op de hoogtes. Terwijl de armoezaaiers en  bedelaars, kreupelen, zieken en melaatsen, kunstenmakers, artiesten en pelgrims, zich een plek zochten in de zompige Zennevallei en dus gegarandeerd om de haverklap met de voeten in het water stonden. In onze lage landen blijft het volksgezegde valabel als het om een rijke gaat: «hij heeft ze op het droge».

Geen toeval dus dat de «armoedegrens» in Brussel grotendeels samenvalt met de scheidingslijn tussen droog en nat, met de dichtgeslibde kanaalzone als centrale as van de armoede. Maar waarom ook hier geen geuzennaam van maken? We zijn wel arm maar niet dom, en zeker niet stom. En opgepast, niet zomaar arm. Vaak dwingt armoede tot grotere vindingrijkheid en creativiteit.
     We krijgen binnenkort een kans dat nog eens te tonen. De zinnekes trekken op 17 mei door laag Molenbeek en op 31 mei in hun grote parade door Brussel. Daar lees je verder in dit nummer nog meer over. Het thema van de ZinnekeParade dit jaar is... «water». Daar weten we alles van!

Lieven SOETE



_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 40 / maart 2008

De zinnekes in Molenbeek

Het Zinneke, dat was het kanaaltje dat de twee armen van de Zenne verbond met het grote nieuwe kanaal naar Willebroek dat in 1561 werd geopend. Je kan in Molenbeek nog duidelijk zien waar het Zinneke liep: tussen de Brasserie BelleVue en de F. Brunfautstraat, aan het vernieuwde AJJA-gebouw, achter de Voorspoedstraat en de Werkhuizenstraat.
     Toen Laag-Molenbeek helemaal werd dichtgebouwd in de negentiende eeuw, werd het Zinneke een stinkende, modderige open riool. De plaats bij uitstek om een bastaardhond te versmoren. Al gauw werd «zinneke» het woord om een stratier te benoemen.
     Toen Brussel in 2000 een van de culturele hoofdsteden van Europa werd, kozen de Brusselaars het woord zinneke om zichzelf te benoemen: kleurrijk en met garantie op heel diverse roots.
     Zo ontstond de ZinnekeParade. Om de twee jaar trekt deze door het centrum van de stad. Op 31 mei aanstaande dus opnieuw. Sinds september 2006 wordt er al over gedroomd, gediscussieerd en gefantaseerd. En sinds mei 2007 wordt er overal in Brussel – en tot zelfs ver erbuiten – ook voor geknutseld, gerepeteerd, gedanst, gebeeldhouwd, geschilderd, gemusiceerd,...
     Rond het centrale thema «water» wordt deze ZinnekeParade opnieuw een prachtig, kunstig spektakel waarin je kan zien waartoe Brusselaars in staat zijn als ze kansen krijgen.

Dit jaar is er nog meer.
     Vier blokken van de ZinnekeParade – zinnode wordt dat genoemd – houden op 17 mei een generale repetitie in de vorm van een preparade door Molenbeek. Zo kunnen honderden Molenbekenaars die in een van die zinnodes mee zullen opstappen in de ZinnekeParade al «voor eigen publiek» hun kunsten tonen. Maar ook zinnekes van (ver) buiten Molenbeek komen dan afgezakt.
     Die zaterdag 17 mei trekken deze zinnekes door verschillende buurten die juist dan een buurt- of straatfeest houden: de Ransfiesta in de Ransfort-Brunfautbuurt, een feest in en rond het Bonneviepark, in de Sint-Jozefstraat aan de Vaartkapoen en in de Mommaerts- en de Hovenierstraat rond het Huis van Culturen, de nieuwe Nederlandstalige Bibliotheek en het centrum Randstad.
     Zoveel mogelijk zullen de straten door de bewoners versierd worden om de zinnekes te verwelkomen. Wie het niet zag zitten of te laat was om mee te doen in een van de zinnodes voor de ZinnekeParade kan nu nog volop meewerken aan deze straatversieringen. Laat je fantazie echt maar los. Er zijn twee regels voor die versieringen: het thema «water» is erin terug te vinden en ze worden zelf gemaakt, zo veel mogelijk met recuperatie- of duurzaam materiaal.
     Zinnekes in Molenbeek, te water!

Lieven SOETE


_____TOP
Column :: De oVerKant nr. 39 / januari 2008

Een visie voor Brussel

Een goed jaar 2008 gewenst.
    Maar opgepast, er liggen stadspooiers op de loer. Ze willen Brussel als een hoer aan de meestbiedende verkopen. Nu hebben ze ontdekt dat dit lelijk klinkt en daarom woordenkramers ingehuurd. «Citymarketing» door zich «precies te positioneren» met een «globale visie» en «grote projecten» om een «internationale uitstraling» te creëren en zo «Brussel op de kaart te zetten». Brussel moet «concurrentieel worden», ten overstaan van Barcelona, Rijsel, Milaan, Praag,...
   
Concurrentie, die wet van de jungle, lijkt me heel primitief om een stad aan te pakken. Ik dacht dat een stad per definitie een ontmoetingspunt is. Zo zijn ze allemaal ontstaan: aan de brug, rond de bron of waterput, rond de (jaar)markt, de kerken. Jawel, de toren werd soms om ter hoogst gebouwd en het marktplein om ter grootst. Maar niet de stoere macho steden zijn het aantrekkelijkst om te leven.

Brussel heeft ervaring met mannen «met een visie op de stad» en de catastrofes die ze veroorzaken.
    Leopold II en zijn boulevard die Molenbeek nog steeds uiteen rijt; het Justitiegedrocht neergeploft bovenop de Marollen; de Noord-Zuid verbinding en de woestenij die achterblijft; de metro-wondes door Molenbeek; het Noordkwartier; de Europese wijk, geliefkoosde speeltuin van de stadspooiers; de verkrachtte Zuidwijk met die vulgaire casino-architectuur.
    Op het verlanglijstje voor Molenbeek staan de spoorwegsite van het Weststation tot Ossegem, en de Ninoofse Poort. We zijn verwittigd.

Als er een «visie voor Brusel» moet zijn, laat ons er bij de nieuwjaarswensen een dromen.
    Dat alle scholen in Brussel op het niveau komen van de Europese scholen – dan kunnen we die getto’s meteen afschaffen.
    Dat er in de park- en villawijken wat «verdichting» komt – dan kan er in het overbevolkte Laag-Molenbeek wat meer groene ruimte gemaakt.
    Dat eenzelfde moeite wordt gedaan om de sociale woningblokken te vernieuwen en te verfraaien, als er gedaan werd om het Berlaymontgebouw te vernieuwen.
    Dat de Brusselse hogescholen een percentage Brusselaars moeten inschrijven in de knelpuntberoepen: meertalige verpleegkundigen, sociale en cultuurwerkers, computerdeskundigen...
    Ja, vul maar aan.

Als Brussel goed is voor de Brusselaars om er te leven, dan komt er vanzelf wel «uitstraling».
We kunnen Brussel beter in het hart van de Brusselaars zetten, dan op een stomme kaart.

Lieven SOETE
___Top

Column :: De oVerKant nr. 38 / december 2007

De mensen aan het water

Ik las het tijdens de zomermaanden*, maar nu is het wel het moment erover te vertellen.
    Er is een nieuwe verklaring in opmars voor de oude woorden in de Nederlandse en andere Europese talen. Etymologie heet dit soort onderzoek.
    Het woord «Belgen» betekent dan al meer dan vierduizend jaar, «de mensen die wonen aan het water, aan de zee». Het woord «belg» heeft dezelfde stam en oorsprong als «palug» in het Sumerisch, «palag» in het Semitisch [waarvan het Arabisch ook afstamt] en «peleg» in het Hebreeuws. Dat betekent: «water» of de afgeleiden: «zee», «stroom», «waterloop», «rivier».
    De b en de v werden nogal makkelijk verwisseld - zoals in het Spaans en het Russisch, en klinkers hebben veel minder belang dan de medeklinkers - zoals in het Arabisch. «Belg» kon dus «bulg» (Bulgaar] worden, of «volg» (de Wolga).
    De stamklanken «b.l.g» in het woord «belg» vinden we dus ook terug in... «vlaming»! Hier zit nog een andere stam in vermengd, «ammu» dat ook in Amsterdam zit en betekent: moeras, moerasachtig land. «Vlamingen» betekent dan: «mensen in het moerasachtig land».

Mooi toch, dat al meer dan vierduizend jaar de «Vlaming» een specifiek soort «Belg» is.
    Tijden en zeden zijn intussen flink veranderd. Er zijn nu ook andere middelen beschikbaar dan de primitieve kracht van de sterkste, om twisten op te lossen - zou je denken.
    Mooi ook, dat de Molenbeekse «Vaartkapoenen» in feite datzelfde betekent: «de mensen aan [de oVerKant van] het water».
    Helemaal mooi is dat de ZinnekeParade in mei volgend jaar, als thema «water», heeft.
    Je kan dus verder fantazeren over de «mensen aan het water», de Belgen, de Vlamingen, de Zinnekes, de Vaartkapoenen...

Lieven SOETE

* Jacques Pauwels, Het andere "Nederland" - Geschiedenis & betekenis van de naam «België», York University, Toronto [Canada], 28 mei 2006 |  LEES»KlikHier

___Top

Column :: De oVerKant nr. 37 / oktober 2007

De klank van de stad

Een mooi moment: op de autoloze zondag, in de vroege voormiddag. Ontwakende kinderen, gekletter van bestek en borden, een hotsende kinderkoets op de kasseien om de hoek, een fietsbel, de kraaien die toch weer overal boven willen klinken, de combinatie van geschuifel en hoge hakkenwerk op de betonen klinkers - plots verzachtend als beide vrouwen de asfaltstraat oversteken.

Dit is de klank van de stad. Die mag je met volle teugen inademen, zonder gevaar op fijn stof of roet of ander gif met moeilijke namen. Daarom alleen al zou het elke week autoloze zondag mogen zijn.

«Hoe kan ik dan met de (klein)kinderen naar een speelplein of het park?» Als heel de stad elke zondag een grote speel-, sport-, fiets-, wandel- en babbelruimte wordt, is dit toch al een kleiner probleem. Het blijft juist dat je hier nabij het kanaal al flink wat moet stappen om een echt park te vinden. Er mogen dus wat volwassen parkruimtes bijkomen, tussen de Beurs, het Weststation en Thurn & Taxis. Dan moet er niet meer met grasmatten gezeuld worden om wat groene ruimte na te spelen.

«Dan kan ik geen familie of vrienden meer uitnodigen!» Moeilijk lijkt dat niet: maak elke zondag ook Trein-Tram-Bus-Dag met één heel goedkoop of gratis ticket. Daarmee is elke plek in de stad zeker niet even goed te bereiken, daar is nog veel werk aan.

Elke zondag autoloos betekent dat «koning auto» verwezen wordt naar de weekdag, de juiste plaats voor dit doordeweekse ding. Een auto is (soms) nuttig, punt. Die kroon en dat aureool met de bijbehorende dwingelandij mogen er af. Dan klinkt opnieuw de echte klank van de stad: de klank van de mensen.

Lieven SOETE

___Top

Column :: De oVerKant nr. 36 / september 2007

Spreek dan met je handen

Laten wij bij de dichters blijven, dat is goed gezelschap. Brussel heeft nu vier gemerkte stadsdichters. Stevig begin om de meertaligheid in onze stad te vatten. Een van hen is Laurence Veille, ook actrice en theaterauteur. Zoals de dag zonder auto's stelt ze de dag zonder taal voor, de dag zonder papieren, zonder computer, zonder gordel, zonder vliegtuig, zonder dak, zonder complimenten, ... of zonder miserie.
     ?En ik stel voor, ik stel voor aan de koning de Vlamingen de Franstaligen de meertaligen de kinderen de bejaarden de schreeuwerds de planten en de dieren, aan de stofjes de sprietjes de sterren aan iedereen ik stel voor, ja ja, om te beginnen stel ik een dag zonder woorden voor [...] Ik stel de dag voor zonder taalgrenzen. Als je wilt, spreek je dan met je handen.?
     Die dag bestaat al in Brussel. Begin mei volgend jaar opnieuw: de dag van de ZinnekeParade. Het bijzondere is dat hij bijna twee jaar duurt. De tijd om in zaaltjes, cafés en keukens, in garages en loodsen, cultuurtempels of op straat iets kunstzinnigs te maken. Met mensen als materiaal, van alle formaten, kleuren, geuren en talen.
     Ook in Molenbeek begint nu het echte werk om opnieuw met een spektakel zonder talen, maar met kleur, klank, ritme en beweging, vuur en water, rook en stoom, vlaggen, flessen, tonnen en stokken, het thema 'water' te verbeelden. Kijk rond, er is zeker een groep waar je kan meedoen. En is die er niet, waarom er niet zelf mee beginnen.
     Molenbeek is de bakermat van het Zinneke. Dat is het kanaaltje dat de binnen- en buitenstromende Zenne rond de stad Brussel verbond, via Kuregem en Molenbeek. Het is de naam van de bastaardhond die in dit modderige, stinkende Zinneke gedumpt werd. Het is de erenaam geworden van de Brusselaar: met garantie op kleur- en taalrijke stamboom.
     Zinnekes, te water!

Lieven SOETE
___Top

Column :: De oVerKant nr. 35 / juli 2007

Waarom komen anderen hier?

Er komt een mooi gedicht, in het groot uitgetekend, in dat lelijke gat op de parvis van Molenbeek. De Russische dichter Jevgeni Boenimovitsj schreef het vorig najaar. De Molenbeekse kunstenaar Henri Jacobs maakte er iets speciaals van. Het slotdeeltje herhaal ik even.
«Een halte onderweg is Molenbeek.
Een uitstap die voor eeuwig bleek.
Hier is mijn huis, mijn pijn en mijn vertier.
Maar waarom komen anderen hier?»


Die laatste zin kan je op twee manieren lezen. Ik verkies de moeilijkste meest spannende. We zijn met veel, heel dicht bijeen hier in Molenbeek.
    Toch heeft elkeen een eigen verhaal hoe zij of hij hier is gekomen. Uit de Vlaanders of het Walenland, uit Rusland of Polen, uit Italië, Sicilië, Spanje of Portugal, uit Marokko, Turkije of diep Afrika. Of gewoon uit Schaarbeek, Kuregem of Laken.
    Heel dikwijls blijkt dit bovendien een verhaal over omwegen, tijdelijke ankerplaatsen, voorlopige oplossingen en dromen om «terug te gaan». Met telkens als refrein: «Hier is (nu) mijn huis, mijn pijn en mijn vertier.» Elk gezicht van elke buur, voorbijganger of mededrummer in de smalle doorgang op de donderdagse markt verbergt een schat: een menselijk verhaal. Het antwoord op de vraag: «Waarom komt die andere hier?»

Ik mag er niet aan denken, in de rij staan om te gaan kiezen en van elke omstaander vooraf precies te weten wie zijn betovergrootmoeder was, welk kleur van haar en sproeten hij wel had als kind en of zijn zus, die ooit iemands liefje was, nu echt wel met een ander is getrouwd.
    Als alle vragen zijn beantwoord, is er geen leven meer. Men kan die weethonger stillen via vragen en onderzoek naar dieren, planten en zelfs stenen. Dat is leuk. Maar echt spannend wordt het pas als elk gezicht dat je ontmoet een aanzet tot ontdekking wordt.

Daarom mag dat gedicht er heel lang blijven hangen, daar op de parvis van Molenbeek.

Lieven SOETE

___Top

Interview :: De oVerKant nr. 33 | april-mei 2007

Mensen over Molenbeek :: Lieven Soete

Lieven Soete, een «urbanistisch denker», woont al zijn halve leven in Brussel en een aantal jaren in Molenbeek. Hij is erg betrokken bij het reilen en zeilen van de gemeente. Op de webstek www.bruxel.org toont hij wat hij beleeft via fotoreportages van waar hij overal is geweest. Zijn kinderen en kleinkinderen wonen in Molenbeek. Hij en zijn vrouw Mieke horen bij onze vaste Vk*-locals. Het staat vast: deze mens weet veel over Molenbeek!

Eerst en vooral, Lieven: wat in hemelsnaam is een urbanistisch denker?
    Lieven Soete. Dat is een uitvinding van Karel Van der Auwera die de grote interviews over «Wonen in Brussel» maakt in Brussel Deze Week. Ik ben architect en urbanist van opleiding. Dat helpt om de stad, de omgeving te “lezen”, te ontcijferen. Hoe herken je de enkele oude middeleeuwse straten in Molenbeek bijvoorbeeld, en de negentiende-eeuwse? Wat zit er onder die bulten die je hier en daar in het straatlandschap ontdekt? Waarom zijn de typische Molenbeekse huizen – en die bestaan dus echt – bepleisterd? Hoe kan het dat Laag-Molenbeek zo’n onvoorstelbaar hoge bevolkingsdichtheid heeft? Er staan hier toch niet zo veel woontorens? Meteen enkele vragen als jullie een quiz zouden willen organiseren. [Antwoorden vindt je ergens op www.bruxel.org]

Jij bent erg betrokken bij het reilen en zeilen in Molenbeek. Leg uit, wat doe je allemaal?
    Lieven Soete. Ik woon er. Dat is al een fulltime bezigheid. Ik zei het al, er woont verschrikkelijk veel volk, heel dicht op elkaar. Met meer dan 30 verschillende origines, in mijn directe buurt. Er zijn ook heel veel kinderen en jongeren in Laag-Molenbeek. Dus trek ik actief aan de kar van een buurtschooltje, «Vier-Winden» in de Merchtemse steenweg.
    Door een van de wijkcontracten heeft onze Ransfortbuurt een achterstand van 150 jaar kunnen inhalen wat de aanleg van de straten betreft. Op dat punt zijn we mee. Zelfs beter af dan sjiekere buurten die met oncomfortabele kasseien werden opgezadeld. In 2005 hebben we voor het eerst een buurtfeest georganiseerd dat we de Ransfiesta noemen. Op 12 mei aanstaande [2007] gaat de derde editie van de Ransfiesta opnieuw door. Kom maar eens kijken.
    Hiermee is een groot deel van mijn beschikbare tijd al op.
    Nog een stokpaardje: de stedenbouwkundige planning van de oude industriële en dus proletarische kanaalzone, in het westen van Brussel-Stad, Kuregem, Molenbeek en Laken. Dit is een uniek gegeven en kan een troef zijn.
    Ten slotte heb ik nog een flinke boon voor het kunst- en cultuurleven, in datzelfde gebied. Er is hier zo veel potentieel en zo veel te doen, dat ik met moeite nog voorbij de Beurs geraak.

Hoe ben je hiertoe gekomen? Heb je teveel tijd om handen, of is het een echt engagement?
    Lieven Soete. Voor mij is dat nogal vanzelfsprekend. Als je lekker wilt eten, dan moet er eerst goed gekookt worden. Als je een leuke buurt wilt, dan moet je er ergens in investeren. Maar ik begrijp dat veel mensen alle energie nodig hebben voor hun flexibele, veeleisende en meestal onzekere job(s), voor de kinderen, om een steeds complexer sociaal leven georganiseerd te krijgen. Ik ben me er ook van bewust dat men zich alleen maar kan “engageren” als men daar een energiereserve voor heeft. Wie die reserves moet opgebruiken om te kunnen overleven, ja, daar moet men veel geduld mee hebben.

Er wordt altijd gezegd dat we elkaar moeten leren kennen, communiceren met andere culturen; omdat we pas daardoor besef krijgen van de menselijkheid die ons allen verbindt. Naar mijn gevoel doet Molenbeek dat met je. Wat hebben jouw Molenbeekse jaren met jouw beeld van deze verguisde gemeente gedaan?
    Lieven Soete. Weet je, dit westelijke Zenne- en kanaalgebied is altijd al de verdom- en schophoek van Brussel geweest. Daar lagen de mesthopen en gierputten, de stinkende fabrieken en stegen, het pesthuis, het tuchthuis... Èn de kazerne voor de oproertroepen, het «Klein Kasteeltje». Om de haverklap overstroomd door een steeds stinkender Zenne. De melaatsen werden samengebracht in... Molenbeek.
    Het kanaal en de industriële explosie in de negentiende eeuw maakte van «de overkant» een soort koloniaal wingewest: alles, maar dan ook alles was toegelaten als het maar winst opbracht. Af en toe wat weggepoederd door liefdadigheid. Deze sociale scheidingslijn is de eerste en belangrijkste. Ze bestaat nog steeds. Veel sterker dan we denken of zouden willen. Taal-, religie- en cultuurverschillen enten zich op deze sociale breuklijn.
    In feite is het heel eenvoudig. Ik woon in Molenbeek, in de Ransfortbuurt. Dat is dus «mijn» buurt. Punt. En ik verdraag dus niet dat daar een etiket op geplakt wordt zodat iedereen die buurt gaat of moet bekijken als een «probleembuurt», een «kansarme», waar iets schort aan de «sociale cohesie» of de «interculturaliteit»...
    Juist, ik maak me dus kwaad.

Dat negatieve beeld wordt, zo heb je in het verleden gezegd, vooral veroorzaakt door de negatieve vicieuze cirkel die armoede en werkloosheid met zich meebrengt. Zie jij oplossingen om dat te doorbreken?
    Lieven Soete. Natuurlijk volgen nu «grote woorden». De problemen van en in Molenbeek zijn op de eerste plaats sociale problemen. Al hondervijftig jaar. Dus moeten er sociale oplossingen komen. Ik heb ook zo’n «oneliner»: «Geef de inwoners van Molenbeek werk, en driekwart van de problemen kunnen zo opgelost!».

En ten slotte, heb je, als inwoner en als urbanistisch denker, het ideale Molenbeek voor ogen? Hoe ziet jouw «droom de stad» eruit?
    Lieven Soete. Ik moet niet dromen, ik zie het groeien. Al is het nog een embryo. Molenbeek is op heel veel punten a-typisch, de diversiteit op nagenoeg alle terreinen is enorm. Dat is zo boeiend, en soms ook een beetje lastig. Maar zo blijf je jong. En dat is leuk.

Bedankt voor dit interview!
Fenna Bouve
___Top